Dit
beknopte overzicht bestaat uit één
lang bestand. Door deze vormgeving kunt u snel
de inhoud doorzoeken met behulp
van de schuifbalk aan de rechterkant van uw scherm.
1. INLEIDING
De
oudste bewaard gebleven Nederlandstalige literaire
teksten dateren uit het eind
van de 12e eeuw. Maar ook lang voor die tijd moet
zowel een schriftelijk als mondeling
overgeleverde verhalencultuur bestaan hebben: sprookjes, fabels, liederen e.d. Deze
verhalen zijn voor het grootste deel verloren gegaan,
omdat ze niet op papier zijn gezet.
Slechts een zeer klein deel is bewaard gebleven. En
dan dikwijls nog onvolledig.
__________________________________________________________________________________
2. 1150 -1500 : MIDDELEEUWEN
De oudste bekende Nederlandse geschriften zijn van
de Limburger Heinric van Veldeke.
Hij schreef rond 1170 de Eneïde en enkele
jaren later de
Sint Servaes.
In de 13e eeuw begon het literaire leven zich in Vlaanderen
te ontwikkelen;
in de 14 eeuw volgde het Belgische deel van Brabant.
Onze oudste literatuur is dus vooral Zuid-Nederlands.
Dit verklaart de duidelijke invloed van de oude Franse
letterkunde op de onze.
De verhalen werden in deze tijd gesc
hreven in het Middelnederlands,
of zoals men in die tijd zei: het Diets.
Om een idee te geven van de taal van deze tijd volgen
hieronder de beginregels van enkele teksten:
Karel en Elegast: Fraeye
historie ende al waer
Mach ic u tellen,
hoort naer.
Het was op
enen avontstonde
Dat karel slapen begonde
Tengelem op
de rijn.
Beatrijs:
Van dichten comt mi cleine
bate.
Die liede raden mi dat ict late
Ende minen
sin niet en vertare.
Floris ende
Blancefloer: Nu hoert na mi, ic sal beghinnen
Ene avonture tellen van
minnen
Die den dorperen no den doren
Niet bestaet dat sise horen.
_____________________________________________
De letterkunde van deze tijd
is globaal in te delen in de volgende genres:
a. Voorhoofse
ridderromans, zoals:
Karel en Elegast, Roelandslied,
Renout van Montalbaen .
b. Hoofse
ridderomans, zoals: Floris ende Blancefloer,
De borchgravinne van Vergi,
Tprieel van Troye,
Lanseloet en het hert met de witte voet
c.
Legenden / fabels, zoals: Beatrijs, Theophilus, Van sente
Brandaan, Van den vos Reynaerde, Esopet
d. Toneel,
zoals: Lanseloet
van Denemarken, Esmoreit, Gloriant, Sotternieen,
Mariken van Nieumeghen, Elckerlijc
_______________________________________________________________________________________
3. ± 1500 - 1600 : Overgangstijd
In de tweede
helft van de 16e eeuw en het begin van de 17e eeuw veranderde
het
maatschappelijk leven - en ook de letterkunde
- drastisch.
De feodale samenleving met zijn standenmaatschappij
maakte geleidelijk plaats voor vrijheid
van het individu. De macht van de kerk en van
de adel werd minder, die van de gegoede
burgerij groeide snel.
De
bekendste schrijvers uit deze tijd zijn: Anna Bijns, Marnix van St. Aldegonde, Coornhert,
Spiegel en Roemer Visscher.
___________________________________________________________
4. ± 1600 - 1700 : De Gouden Eeuw
Dit tijdperk wordt zo genoemd
omdat zowel het voor de Nederlanden op diverse
gebieden een bloeitijd was. Hoewel de officiële
vrede met Spanje pas in 1648
getekend werd, was de vrijheidsoorlog in 1609
eigenlijk al gewonnen.
Nederland had belangrijke kolonies en bezette
gebieden in Indonesië, Zuid-Afrika,
Brazilië en Noord-Amerika. Door de grote
welvaart kon men mooie grote gebouwen
en grachtenhuizen laten bouwen. De universiteit
van Leiden was wereldberoemd,
maar universitair onderwijs
was er ook in Franeker, Harderwijk, Groningen en Utrecht.
De schilderkunst bereikte een ongekende hoogte
door het werk van Rembrandt,
Frans Hals, Vermeer, Ruysdael en Jan Steen; in de zuidelijke Nederlanden deden
Rubens,
Van Dijck, en Jordaen niet voor
hen onder.
De belangrijkste Nederlandse
schrijvers uit deze tijd zijn:
Gerbrand
Adriaensz. Bredero (1585-1618)
Bredero werd geboren in een Amsterdams schoenmakersgezin.
Hij kreeg een opleiding
tot kunstschilder maar heeft vooral naam gemaakt
met zijn gedichten en toneelstukken.
Hij schreef enkele romantische toneelstukken:
Rodd'rick
ende Alphonsus (1611), Griane (1612) en Lucelle
(1616).
Maar hij werd vooral bekend om zijn blijspelen:
Het Moortje (1615)
en Spaansche Brabander
(1617)
en de kluchten: Klucht van de Koe (1612),
Symen sonder Soeticheyt (1612-1613), Klucht
van de Meulenaer (1613).
_____________________________________
Pieter
Cornelisz. Hooft (1581 - 1647)
Hooft
stamt uit een uit een vooraanstaande Amsterdamse koopmansfamilie.
Zijn vader was burgemeester van Amsterdam. Hij maakte
een studiereis naar Italië
en studeerde rechten in Leiden. Hij werkte o.a. als
drost (een soort rechter) op het
Muiderslot. Hij was de leidende
figuur van de Muiderkring.
Hij schreef o.a. het blijspel
Warenar
(1616) en de toneelstukken:
Granida
(1605),
Geeraerdt van Velsen (1613)
en
Baeto(1626).
Op latere leeftijd werkte hij aan
een uitvoerige geschiedschrijving, de Nederlandsche Historiën.
Het eerste deel verscheen in 1642, het tweede deel
heeft hij niet kunnen voltooien.
Van belang is ook de briefwisseling die hij voerde
met een uitgebreide kring
vrienden in binnen- en buitenland. Een regelmatige
gast was b.v. Hugo de Groot.
Vondel en Huygens kwamen er zo nu en dan.
____________________________________
Joost
van den Vondel (1587 - 1679)
Vondel
werd in Keulen geboren. Zijn ouders waren afkomstig uit Antwerpen,
maar ze waren als vervolgde doopdsgezinden gevlucht
naar Keulen. Na een kort
verblijf in Utrecht vestigde de familie zich in Amsterdam.
Hij was getrouwd met
Maaiken de Wolff. Zij zorgde met haar kousenwinkel
voor het inkomen, zodat
Vondel zich vrijwel geheel aan het schrijven kon wijden.
Hij heeft zeer veel geschreven
en is zonder twijfel de belangrijkste literaire
figuur uit onze geschiedenis. Hij heeft vrijwel alle
literaire genres met veel succes beoefend.
Hij
schreef o.a. veel hekeldichten die betrekking hadden op politieke
en godsdienstige
gebeurtenissen in zijn tijd. Hij is onder zijn collega's
eigenlijk de enige die zich
politiek zo kwetsbaar durft op te stellen.
Hij
schreef 32 toneelstukken en zeer veel gedichten in verschillende
genres.
We noemen hieronder het
belangrijkste werk.
Toneel:
Gijsbrecht
van Amstel, Joseph in Dothan, Leeuwendalers, Palamedes,
Pascha,
Lucifer,
Jephta, Adam in ballingschap, Maeghden, Maria Stuart
Lofdichten: Lof der Zeevaert, Verovering
van Grol, Inwijding van het Stadhuis e.a.
Politieke hekeldichten:
Geuzenvesper, Decretum Horribile,
Roskam,
Rommelpor van 't Hanekot,
Otter in 't bolwerk
____________________________
Jacob Cats (1577 - 1660
Jacob
Cats werd geboren in net Zeeuwse Brouwershaven. Hij studeerde
in Leiden en Orleans.
Hij werd stadsadvocaat van Middelburg en later pensionaris
van Middelburg en Dordrecht.
Op 60-jarige leeftijd werd hij nog raadspensionaris
van Holland ( tot zijn 75! ).
Cats heeft gestudeerd en behoorde tot de Hollandse
aristocratie, maar hij werd bij uitstek
de schrijver voor het volk. Zijn werk was voor een
breed publiek te begrijpen. Hij behandelde
vaak onderwerpen die een breed publiek aanspraken.
Zijn taalgebruik was eenvoudig; dit in tegenstelling
tot dat van tijdgenoten als Hooft en Vondel.
Door zijn vaak belerende en vermanende toon werd hij
later wel Vadertje Cats genoemd.
Cats belangrijkste werken zijn:
Houwelyck, Trou-Ringh, Ouderdom, Buyten-leven
en Spieghel van den ouden en nieuwen tijdt.
In zijn latere werk is hij vooral autobiografisch
:
Ouderdom,
Buyten-leven en Hofgedachten
op Sorgh-vliet.
___________________________
Constantijn
Huygens (1596 - 1687)
Huygens werd geboren in Den Haag en studeerde rechten
in Leiden. Hij maakte studiereizen
naar Engeland en Italië. Hij bekleedde een hoge
positie: persoonlijke secretaris van zowel
Frederik Hendrik als Willem II en Willem III.
Hij heeft zeer veel geschreven, zowel in het Nederlands
als in het Latijn. We noemen
alleen zijn bekendste titels:
Voorhout, Costelick Mal, Hofwijck
en Zeestraet. Nog zeer goed
leesbaar (en speelbaar) is zijn realistische klucht
Trijntje
Cornelisdr. (1653).
Daarnaast schreef hij zeer veel Sneldichten en liederen.
_______________________________________________________
Opvallend is de hoge ouderdom die de laatste drie
schijvers hebben bereikt: 92, 83 en 91 jaar.
Extreem hoog voor die tijd: schrijven
doet blijven !
__________________________________________
Andere schrijvers uit deze tijd waren:
Joannes
Stalpart van der Wiele (1579 - 1630)
Hij schreef vooral
godsdienstige gedichten en liederen, o.a.:
Roomsche
Reys (1624)
Gulde-Jaersfeestdagen (1634)
Jacobus Revius (1586 - 1658)
Revius werd geboren
in Deventer en was daar enige tijd gereformeerd predikant, later
in Leiden.
Hij schreef regelmatig over
de oorlog tegen Spanje. Hij had een voorkeur voor sonnetten.
Jan
Jansz. Starter (1593 - 1626)
Starter studeerde enige tijd
rechten was en was boekverkoper.
Hij stierf als oorlogscorrespondent in Hongarije.
Hij schreef o.a. de liederenbundel De Friesche
Lusthof en de klucht Jan Soetekauw.
De
zeeman Bontekoe
die spannend kon vertellen over zijn avonturen In Indië.
Gerrit de Veer
beschreef in Seylagiën
de door hem gemaakte Pooltochten.
Bekende schrijvers
van politieke pamfletten waren Willem Meerman, Paschier de Fyne
en
Joan de Brune.
Veel belangwekkende
romans werden er in Nederland in deze tijd niet geschreven.
Een uitzondering is Johan van Heemskerk (1597 - 1656) die in 1627 de
Batavische Arcadia schreef.
Geeraerdt Brandt (1626 - 1685) is vooral belangrijk door
zijn proza,
waaronder biografieën van Hooft, Vondel en de zeeheld
De Ruyter.
Een bijzondere figuur uit deze
periode is nog Willem van
Focquenbroch (1630 - ±1680).
Deze Amsterdamse arts schreef
o.a. bewerkingen van Franse en Spaanse blijspelen.
Zijn gedichten zijn te vergelijken
met die van Bredero, maar blijven beneden diens niveau..
Ook het
blijspel leverde in deze periode nog werk van kwaliteit op:
Thomas Asselijn (1620-1701)
met Jan Klaaz of de gewaande dienstmaagd.
Pieter
Benagie (1656-1699) met De belachelyke
Jonker.
Michiel de Swaen (1654-1707) met De gecroonde leersse.
_______________________________________________________
5. ± 1700 - 1800 : Classicisme
Dit
tijdperk - ook wel pruikentijd genoemd - is voor onze letterkunde niet
de interessantste.
In de zeventiende eeuw is Nederland een welvarend land
geworden. Het lijkt er op dat men
nu geneigd is op die lauweren te gaan rusten. Men was
geneigd de 17e eeuwse Nederlandse
meesters en de oude Nederlandse meesters na te volgen.
Er werden dichtgenootschappen opgericht en er werd vooral
waarde gehecht aan het navolgen
van vastgestelde regels. Veel ruimte bleef er voor originele
geesten niet over.
De namen van deze dichtgenootschappen zijn veelzeggend:
'Kunst wordt door arbeid verkregen', 'Kunstliefde
spaart geen vlijt'.
Men werd meer beoordeeld op het strikt navolgen van de
geldende regels dan op originaliteit en kwaliteit.
De belangrijkste
schrijvers uit deze periode zijn:
Pieter
Langendijk (1683 - 1756)
Langendijk is de belangrijkste toneelschrijver van zijn generatie.
Hij schreef vooral blijspelen.
De belangrijkste zijn:
Het wederzijds
huwelijksbedrog (1712/1714), Krelis Louwen of Alexander de Groote
op het Poëetenmaal (1715),
De
Spiegel de Vaderlandsche Kooplieden,
De Wiskunstenaars of 't gevluchte Juffertje (1715)
Justus
van Effen(1684 - 1735)
Hij
schreef o.a. 'Thijsbuurs os' en
'Agnietjes', maar
hij werd vooral bekend door
zijn tijdschrift De Hollandsche Spectator
(1731-1735)
Vanaf
1750 begint de invloed van de Romantiek geleidelijk groter te worden.
De belangrijkste
schrijvers uit de overgangsperiode van Classicisme naar Romantiek
zijn:
Elisabeth Wolff
(1738 - 1804) en Aagje Deken
(1741 - 1804).
Dit schrijfstersduo heeft vooral naam gemaakt met hun
romans in briefvorm:
Sara Burgerhart ( 2 delen, 1782 ) en
Willem Leevend ( 8 delen,
1784 / 1785)
Hieronymus
van Alphen (1746 - 1803)
Van Alphen is vooral bekend geworden door zijn Kleine Gedigten voor
kinderen, waarin
hij enkele generaties ouders een steun is geweest bij
de opvoeding van hun kinderen.
Tot ca. 1850 (dus bijna 50 jaar na zijn dood) bleven
deze gedichten zeer populair.
Jacobus Bellamy (1757 - 1786)
Bellamy was aanvankelijk een eenvoudige bakkersknecht,
maar ging na zij zijn 22e jaar
in Utrecht studeren. Zijn bekendste werk: Gezangen mijner jeugd (1782), en de vertelling
Roosje.
In 1784 begon hij met enekele vrienden een tijdschrift
uit te geven. Door zijn vroege dood
heeft dit echter geen grote rol gespeeld in de
intwikkeling van onze letterkunde.
Rhijnvis
Feith (1753 - 1824)
Feiths werkt wordt vooral
gekenmerkt door zwaarmoedigheid en het christelijk geloof.
Zijn bekendheid heeft hij vooral te danken aan
twee sentimentele romans:
Julia (1783)
en Ferdinand en Constantia (1785).
Twee latere grote gedichten ademen dezelfde
gemoedstoestand: Het
Graf (1791) en
De ouderdom (1803).
Hij was toen resp. 38 en 50 jaar!
Willem Bilderdijk
(1756-1831)
Bilderdijk leidde een veelbewogen
leven. Hij werd geboren in Ansterdam en studeerde in Leiden.
Hij weigerde in 1795 trouw aan de nieuwe regering
te zweren en leefde daarna 12 jaar als balling in
Duitsland en Engeland.
Bilderdijk beoefende vrijwel alle literaire genres.
We noemen hier: de ballade Graaf Floris de Vierde,
de lange gedichten Ode
aan Napoleon (1806) en Afscheid (1810), de leerdichten De Geestenwareld (1811) en
De Dieren (1817),
de treurspelen Floris
V en Willem van Holland.
Bilderdijk gaf geschiedeniscolleges in Leiden en
schreef in deze functie Geschiedenis des Vaderlands.
Bilderdijk werd door velen bewonderd en werd nog
jarenlang door velen nagevolgd.
Johannes
Kinker ( 1764 - 1845)
Kinker speelde vooral een rol in de literatuur
door zijn kritische literaire tijdschrift
De Post van de Helicon.
Zijn eigen werk
is vooral filosofisch van aard.
Anthony Staring
( 1767 - 1840)
Staring schreef enkele gedichtenbundels:
Gedichten (1820) en Winterloof (1832).
Maar hij is vooral van belang door zijn humoristische
vertellingen:
Jaromir-cyclus,
Marco, De
hoofdige boer, De leerling van Pankrates en
De verjongingskuur.
Zijn
spitse Puntdichten zijn van
bijzondere kwalieit.
Hendrik Tollens
(1780 - 1856)
Tollens was in zijn tijd een
zeer populaire volksdichter. Hij beschrijft het huiselijk geluk
en
het belang van tevredenheid. Hij verheerlijkt
het rustieke landleven boven de drukte van de stad.
Tevreden is de grootste menselijke deugd. Hij
schreef o.a. het bekende Wien Neerlands bloed.
Zeer populair werd zijn Overwintering op Nova Zembla (1819)
Jacob van Lennep
(1800 - 1868)
Jacob van Lennep was een van
de populairste schrijvers van zijn tijd. Hij was een bewonderaar
van de Engelse schrijver Walter Scott en volgde
hem na in de dichterlijke verhalen
Nederlandsche Legenden (1828 - 1831).
Hij schreef enkele historische romans:
De
Pleegzoon (1833),
en De Roos van Dekema (1836). Zijn
beroemdste werk is misschien wel Ferdinand Huyck (1840),
waarin hij het 18e eeuwse patriciërsleven beschrijft.
Van Lennep was een grote bewonderaar van Vondel.
Everhardus Johannes Potgieter (1808 - 1875))
Potgieter werd geboren in Zwolle,
maar verhuisde al jong naar Amsterdam. Hij maakte een
reis naar Zweden, die hem sterk beinvloed heeft.
Potgietrer is vooral belangrijk als oprichter
en redacteur van De Gids,
het belangrijkdte literaire tijdschrift van deze periode.
Jan Frederik
Oltmans ( 1806 - 1854)
Oltmans was lange tijd
lid van de Gids-redactie. op jonge leeftijd schreef hij al twee
omvangrijke
historische romans. Eerst Het slot Loevestein (1834) en enkele
jaren daarna De Schaepherder (1838).
Hij was enkele jaren lid van de redactie van De
Gids
Anna Louisa
Geertruyda Bosboom - Toussaint (1812 - 1886)
Mw. Bosboom - Toussaint heeft
vooral historische romans en verhalen geschreven:
Het Huis Lauernesse
(1840), de uitgebreide Leycestercyclus
(1846 - 1855),
De Delftsche wonderdokter (1870). Op latere leeftijd
schreef ze nog enkele moderne romans.
De bekendste hiervan is Majoor
Frans (1874), een boek over vrouwenemancipatie.
Hendrik Conscience
(1812 - 1883)
Consciense werd geboren in Antwerpen.
Hij werd - vooral met met zijn historische romans -
de populairste schrijver van België: De Leeuw van Vlaanderen (1838), Jacob van Artevelde
(1849).
Op latere leeftijd schreef hij nog enkele dorpnovellen:
De Loteling (1850), Baes Gansendock (1850).
Nicolaas
Beets (1814 - 1903)
Beets studeerde theologie in
Leiden, maar hij was vooral gericht op de literatuur. Hij werd
een van de bekendste en populairste schrijvers uit
onze letterkunde. In zijn jonge jaren
dweepte hij met de Engelse romantische schrijver Byron.
Later zou hij de beroemdste
volksschrijver van zijn tijd worden met de Camera
Obscura (1839). Vooral De familie
Stastok,
De familie
Kegge en Een oude kennis behoren tot de bekendste
verhalen uit de Nederlandse
literatuur. Zijn vele gedichten zijn niet altijd van
even hoge kwaliteit.
Conrad Busken Huet (1826 - 1886)
Busken Huet studeerde theologie
- evanals Beets - in Leiden en was enkele jaren predikant in Haarlem.
Na enkele jaren legde hij dit ambt neer omdat hij
zich vond dat bijbelkritiek mogelijk moest zijn.
Hij schreef enkele novellen:
Groen en Rijp (1854)
en Schetsen en Verhalen (1858). Maar
al gauw richtte hij
zich vooral op het schrijven van literaire kritieken
en literaire geschiedschrijving.
Vanaf 1862 was hij vaste medewerker van het literaire
tijdschrift De Gids.
Na zijn breuk met dit tijdschrift
in 1865 schreef hij de roman Lidewyde (1868). Vanaf
ditzelfde jaar begon hij ook weer met zijn literaire
kritieken. Ze werden verzameld in Litterarische
Fantasiën en Kritieken.
Eduard Douwes
Dekker / Multatuli (1820 - 1887)
Eduard Douwes Dekker werd geboren
in Amsterdam en vertrok op zijn 18e jaar naar Indië.
Hij begon daar als kantoorbediende, maar werkte zich
op tot assistent-resident in Ambon (vanaf 1852).
Vanaf 1856 bekleedde hij dezelfde functie in Lebak.
In 1856 nam hij ontslag na een conflict
met zijn meerderen. Hij zwierf een tijd door Europa
en leidde vanaf 1860 een armoedig bestaan in Amsterdam.
Hij werd in 1860 in één keer beroemd met zijn Max
Havelaar, een autobiografische roman.
Hij komt hierin hartstochtelijk op voor de erbarmelijk
positie van de arme inlanders.
De laatste
jaren van zijn leven woonde hij in Duitsland. Hij stierf in 1887
in Nieder-Ingelheim.
Behalve de Max Havelaar schreef hij o.a. nog: Minnebrieven (1861), de reeks Ideën
(1862 - 1877),
Woutertje
Pieterse (1862-1864 en 1871-1877), Duizend-eneenige hoofdstukken over specialiteiten
(1871) en Milloenenstudiën (1873).
Francois Haverschmidt / Piet
Paaltjens (1835 - 1894)
Francois
Haverschmidt
schreef de fijnzinnige verhalenbundel Familie en Kennissen (1876).
In zijn studententijd had hij reeds onder de schuilnaam Piet Paaltjens de romantische
bundel
Snikken en
Grinlachjes (1867) gepubliceerd.
Guido Gezelle (1830 - 1899)
Guido Gezelle werd in Brugge
geboren. Hij volgde een priesteropleiding in Roeselare en Brussel.
Hij was leraar en onderpastoor. Gezelle heeft zeer
veel gedichten geschreven.
We noemen hier slechts: Kerkhofblommen
(1858), Tijdkrans
(1893) en Rijmsnoer
(1897).
Marcellus
Emants (1848 - 1923)
Emants behoort tot de belangrijke
schrijvers van zijn tijd. Hij schreef gedichten,
toneelstukken en proza. Zijn werk heeft dikwijls een
pessimistische grondtoon.
Zijn belangrijkste werk: Een
nagelaten bekentenis (1894), Vijftig (1899), Inwijding (1901),
Waan
(1905) en Liefdeleven
(1916).
Frederik
van Eeden (1860 - 1932)
Frederik Willem van Eeden werd
in Haarlem geboren. Hij studeerde medicijnen en richtte
zich vooral op de psychiatrie. Als idealist stichtte
hij de kolonie (commune) Walden.
deze was helaas tot mislukken gedoemd.
Zijn belangrijkste werk: De kleine Johannes (3 delen)/1900-1906),
Van de koele meren des doods (1900),
De nachtbruid
(1909),
Het beloofde land (1909), Pauls ontwaken (1913), Het lied van schijn en wezen (1895-1922),
De heks van Haarlem (1915), Het rode lampje (1921).
Jacobus van
Looy (1855 - 1930)
Jacobus van Looy werd geboren
in Haarlem. Hij was aanvankelijk schildersknecht, maar hij ging
op
22-jarige leeftijd alsnog naar de Academie voor Beeldende
in Amsterdam. Vanaf 1886 publiceerde hij
novellen in de Nieuwe Gids.
In 1889 werden deze verhalen in boekvorm uitgegeven:
Een stierengevecht,
De hengelaar,
De dood van mijn poes, De nachtcactus e.a.
Belangrijk werk van latere datum is o.a.:
Gekken (1892), Feesten (1903),
Jaapje (1917),
Jaap (1923) en (Jakob (1930).
Louis Couperus (1863 - 1923)
Couperus is een van de belangrijkste
schrijvers uit onze letterkunde. Hij werd geboren in Den Haag,
maar verhuisde al op jonge leeftijd met zijn ouders
naar Java.
Hij ging naar het gymnasium in Batavia en de H.B.S.
in Den Haag. Hij volgde daarna een lerarenopleiding
Nederlandse taal- en letterkunde. Hij woonde lange
tijd in Italië.
Zijn belangrijkste werk is: Eline Vere
(1889), Noodlot (1890), Extase (1892) en Eene illuzie (1892).
Een keus uit zijn verdere werk: Majesteit (1893), Wereldvrede
(1895), Metamorfoze (1897),
Psyche (1898), De stille kracht (1900), Boeken der kleine
zielen (1901-1903),
Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906),
De berg van licht (1906), Antiek toerisme (1911),
De komedianten (1917), Het zevende schaakbord (1923), Het
snoer der ontferming (1924).
Herman Heijermans
(1864 - 1924)
Heijermans is zonder twijfel
de belangrijkste toneelschrijver van zijn generatie.
Zijn belangrijkste werk: Ghetto (1898),
Op hoop van zegen (1900), Ora et Labora (1902),
Glück auf (1911), Eva Bonheur (1918).
Augusta de
Wit (1864 - 1939)
Augusta de Wit werd geboren
in Nederlands Indië (Sumatra)
en bracht daar ook haar eerste levensjaren door.
Haar bekendste werk: Verborgen
bronnen (1898),Orpheus in de dessa (1902),
Het dure moederschap (1907).
Stijn Streuvels (1871 - 1969)
[ België ]
Sijn Streuvels was een neef van
Guido Gezelle. Hij was oorspronkelijk
pastijbakker, maar groeide uit tot een van Belgisch
grootste schrijvers.
Zijn bekendste werk: Zomerland (1900), Langs de wegen (1902), De Vlaschaard
(1907),
De teleurgang van den Waterhoek (1927).
Herman Teirlinck (1879 - 1967) [ België
]
Herman Teirlinck was een van de eerste Belgische
schrijvers
die zich afkeerde van het naturalisme. Hij schreef
o.a. de
psychologische roman 't Bedrijf van het kwade (1904), het ironische
Mijnheer Serjanszoon, Het ivoren aapje (1909),
Marie Speermalie (1940),
Het gevecht met de engel (1952) en tenslotte
de psychologische
roman Zelfportret of Het
Galgemaal (1957).
Ina Boudier
- Bakker (1875 -1966)
Ina Boudier - Bakker behoort tot de gegoede burgerij
en beschrijft vooral
met veel psychologisch inzicht kinder- en vrouwenfiguren:
Kinderen (1905), Armoede (1909), De straat (1924),
De klop op de deur (1930),
Finale (1957)
Carry van
Bruggen (1881 - 1932)
Van Bruggen schreef enkele realistische
romans met autiobiografische inslag:
De verlatene
(1909) en 'n Badreisje naar
de tropen (1909).
Later werd haar werk wat lichtvoetiger: Het huisje aan de sloot (1921), Avontuurtjes (1922)
Vier jaargetijden (1924).
Arthur van
Schendel (1874 - 1946)
Van Schendel is een van onze succesvolste auteurs.
Hij schreef vooral
romantisch getinte, avontuurlijke romans en verhalen: Een zwerver verliefd (1904),
Een zwerver verdwaald (1907), Het fregatschip Johanna
Maria (1930),
De waterman (1933), Een Hollandsch drama (1935),
De werels een dansfeest (1938).
Aart van der Leeuw (1876 - 1931)
Van der Leeuw schreef romantische gedichten en
filosofisch getinte verhalen,
maar hij is vooral bekend geworden door twee fijnzinnige
romans:
Ik en mijn
speelman (1927) en De kleine Rudolf (1930).
P.H. van Moerkerken (1877 - 1951)
Van Moerkerken heeft vooral naam gemaakt met zijn
historische romans.
Zijn bekendstewerk: De ondergang van
het dorp (1913), De bevrijders (1914) en
de cyclus: De gedachte der tijden
(1918 - 1924)
Nico van Suchtelen(1878 - 1949)
Van Suchtelen studeerde in Amsterdam
en Zurich scheikunde, rechten, psychologie en
filosofie. Hij was behalve schrijver ook journalist en en uitgever.
Naast een aantal gedichten en enkele toneelstukken schreef
hij o.a. de romans
Quia absurdum (1906)
en De stille lach (1916).
J.A. der Mouw (1863 - 1919)
Der Mouw heeft zich vooral bezig gehouden met filosofie.
Pas na zijn 60e jaar
ging hij gedichten schrijven, vooral sonnetten. Zijn werk is
gebundeld in
6 delen Verzamelde Werken (1947 - 1951).
Jacob Israël de Haan (1881 - 1924)
De Haan was de zoon van een joodse
godsdienstleraar en de broer van Carry van Bruggen.
Hij was onderwijzer en later jurist. In 1919 werd hij lector
aan een juristenopleiding in Palestina.
In 1924 werd hij in Jeruzalem vermoord.
Hij schreef o.a.: Patologieën, Het Joodsche lied (1915 / 1921)
Geerten
Gossaert (1884 - 1958)
Gossaert was hoogleraar in de koloniale geschidenis
en schreef o.a.:
Experimenten (1911) en Essays (1947)
P. N
van Eyck (1887- 1954)
Van Eyck woonde enkele jaren in Italië en
werd later hoogleraar in Leiden.
Hiij schreef vooral gedichten. Enkele bundels: De getooide doolhof (1909),
Inkeer (1922) en Medusa (1947)
J.C.
Bloem (1887 - 1966)
Bloem is een van onze belangrijkste dichters. Hij
werd onderscheiden met o.a.
de P.C. Hooftprijs (1950). Hij schreef vooral gedichten,
maar publiceerde ook een aantal literair-historische essays.
Bekende dichtbundels
van hem zijn o.a.: Het verlangen (1921),
Media Vitae (1931), Sintels (1946) en Avond (1950).
Zijn proza is verzameld
in twee bundels: Verzamelde beschouwingen (1950) en Terugblik op de afgelegde
weg (1954).
A. Roland Holst (1888- 1976)
Roland Holst is vooral bekend
geworden door zijn vele gedichten. Hij was 14 jaar lid van de redactie
van
het toonaangevende literaire tijdschift De Gids.
Roland Holst schreef een reeks dichtbundels,
o.a. Verzen (1911) , Voorbij
de wegen (1920), De wilde kim (1925)
Een winter aan zee (1937), Onderweg (1940).
Tot zijn proza behoren o.a.: Deirdre
en de zonen van Usnach (1920), De afspraak (1927) en Uit zelfbehoud
(1938)
|
|
|
|